Kanaal met begroeide oevers en een brug in de verteExamencursus

Klein Vaarbewijs I

Leer de vaarregels, herken lichten en tekens, begrijp je schip en oefen veilig manoeuvreren.

Begin met les 1 Probeer 4 vragen

Volledige inhoudsopgave (22 hoofdstukken)
  1. Jouw vaarbewijs, vaargebied en verantwoordelijkheid
  2. Welk reglement geldt hier?
  3. Navigatielichten lezen
  4. Dagtekens en bijzondere schepen
  5. Geluidsseinen en marifoon · met Academy-account
  6. Ontmoeten, engten en goed zeemanschap · met Academy-account
  7. Kruisen, uitvaren, keren en voorbijlopen · met Academy-account
  8. Bruggen, sluizen en slecht zicht · met Academy-account
  9. Stilliggen en snelle motorboten · met Academy-account
  10. Motor, koeling, elektriciteit en stuurinrichting · met Academy-account
  11. Brand, gas en milieuzorg · met Academy-account
  12. Reddingsvest, noodmiddelen en man overboord · met Academy-account
  13. Betonning en lichten langs de vaarweg · met Academy-account
  14. Kaart, peil, diepte en brughoogte · met Academy-account
  15. Wind, luchtdruk en zicht · met Academy-account
  16. Vaarwegtekens en doorvaartmarkering · met Academy-account
  17. Schroef, roer, lijnen en aankomen · met Academy-account
  18. Ankeren, zuiging en beroepsvaart · met Academy-account
  19. Internationaal varen: documenten en grenzen · met Academy-account
  20. België: brevetroute en tochtvoorbereiding · met Academy-account
  21. Duitsland: SBF Binnen, SBF See en reglementen · met Academy-account
  22. Frankrijk: permis plaisance, VNF en sluizen · met Academy-account

Begin met de lessen

Lees de eerste vier lessen. Open een hoofdstuk en begin direct.

1 Jouw vaarbewijs, vaargebied en verantwoordelijkheid

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Leerdoel: Bepaal wat je nodig hebt en onderscheid een vaartuig, vaargebied en officiële kwalificatie.

Begin met drie vragen: wat voor schip ga ik gebruiken, kan het schip sneller dan 20 km/uur en waar wil ik varen? Voor recreatief gebruik gaat Klein Vaarbewijs onder meer over vaartuigen van 15 meter tot minder dan 25 meter en kleinere motorvaartuigen die sneller kunnen dan 20 km/uur. Het gaat om de mogelijkheid van het vaartuig, niet om de snelheid die je vandaag kiest. Een professioneel vaartuig, sleepboot of duwboot kan onder andere regels vallen. Gebruik daarvoor de actuele Binnenvaartwet en het Binnenvaartbesluit, niet alleen de recreatievuistregel.

Het officiële traject bestaat uit theorie-examen, de medische voorwaarden en het aanvragen van het vaarbewijs. Het document krijg je vanaf 18 jaar. Voor KVB II zijn de examens KVB I en II nodig, behoudens een geldige vrijstelling. Zelfstudie mag; een erkende opleider is voor deze route geen algemene toelatingseis. Onze leerscores zijn intern en vormen geen vaarbewijs. Een praktijkexamen is geen standaardonderdeel van KVB I of II, maar veilig manoeuvreren moet je wel met begeleiding op het water oefenen.

De schipper organiseert de veilige vaart. Een regel kennen betekent ook tijdig handelen, uitkijk houden, bemanning instrueren en niet varen onder invloed. Bij acuut gevaar moet je maatregelen nemen die een aanvaring voorkomen. Goed zeemanschap is geen vrijbrief om vooraf regels te negeren. Na een incident regel je hulp en wissel je de noodzakelijke gegevens uit. Een beroepskwalificatie of dienstboekje volgt een eigen traject.

Leeftijd om te sturen en leeftijd voor afgifte van een vaarbewijs zijn twee verschillende vragen. BPR artikel 1.09 vraagt minimaal 18 jaar voor een snelle motorboot. Voor een gewoon klein motorschip en een zeilschip van 7 m of langer geldt in de daar omschreven gevallen 16 jaar. Een klein open motorschip korter dan 7 m dat maximaal 13 km/uur door het water kan halen, mag vanaf 12 jaar worden gestuurd. Voor een roeiboot of zeilschip korter dan 7 m noemt dit artikel geen minimumleeftijd, maar bekwaamheid en veiligheid blijven verplicht. Een vaarbewijsplichtige boot vraagt daarnaast het passende vaarbewijs.

Leer in drie stappen: leg eerst het begrip in eigen woorden uit, werk daarna een situatie uit zonder antwoordkeuzes en gebruik pas daarna de vragenbank. Noteer bij een fout of je het reglement, het soort schip, de richting of de rekeneenheid verkeerd koos. Een hogere score door herkenning van antwoordzinnen is minder bruikbaar dan zelfstandig kunnen uitleggen wat je moet doen.

Waarom deze aanpak?

KVB I geldt op rivieren, kanalen en meren, met inbegrip van de Gouwzee. Voor vaarbewijsplichtige recreatievaart op IJsselmeer, Markermeer, IJmeer, Waddenzee, Eems, Dollard, Oosterschelde en Westerschelde is KVB II het passende vaarbewijs. Een klein bootje dat geen vaarbewijs nodig heeft, wordt niet plots vaarbewijsplichtig alleen omdat het naar het IJsselmeer gaat. Geschiktheid van schip en bemanning is wel een afzonderlijke veiligheidsvraag.

Bereid de scheepsdocumenten vóór vertrek voor: vaarbewijs waar vereist, registratiebewijs voor een snelle motorboot en, bij een marifoon, de passende bedienings- en registratiegegevens. Een bijgewerkt BPR moet volgens artikel 1.11 aan boord beschikbaar zijn, ook elektronisch als het steeds kan worden geraadpleegd. De uitzondering betreft onder meer een klein open schip. De cursus is een hulpmiddel; het boek vervangt het geldende reglement niet.

Voor het theorie-examen train je ook de bediening van de officiële CBR-voorbeelden, waaronder sleep- en hotspotvragen. Deze Academy gebruikt eigen meerkeuze- en rekenvragen. De interne leernorm is 80% van de gewogen punten. De gepubliceerde CBR-puntennorm is 70%; voor KVB I 56 van 80 punten en voor KVB II 35 van 50. Beoordeel praktische vaardigheden afzonderlijk: een theorieantwoord bewijst niet dat je veilig kunt afmeren.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Teken de concrete vaar- of scheepssituatie.
  2. Bepaal welk gegeven of reglement voor de vraag nodig is.
  3. Werk de redenering uit en controleer eenheden en categorieën.
  4. Bespreek een wijziging van de situatie en het effect op je conclusie.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Een motorboot van 8 meter kan 35 km/uur halen. Langzaam varen maakt deze boot niet vrij van de vaarbewijsplicht.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Jouw vaarbewijs, vaargebied en verantwoordelijkheid”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

2 Welk reglement geldt hier?

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Leerdoel: Kies het juiste reglement vóór je een verkeerssituatie beoordeelt.

Een Nederlandse vaarweg heeft niet overal dezelfde verkeersregels. Het BPR geldt op veel binnenwateren. Het RPR geldt op de Rijnvaarwegen waarvoor het is aangewezen, zoals Waal, Boven-Rijn, Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn en Lek. Het Kanaal van Gent naar Terneuzen heeft het SRKGT; de grensvormende delen van de Maas hebben het SRGM. De Westerschelde heeft het SRW. Op de Eemsmonding werken SRE en BVA samen. Controleer de begrenzing op een actuele reglementenkaart.

De definitie klein schip kent uitzonderingen. In het BPR gaat het in beginsel om minder dan 20 meter, maar een veerpont, passagiersschip of schip dat niet-kleine schepen sleept of duwt valt niet automatisch onder klein. Een zeilschip dat tevens zijn motor voor voortstuwing gebruikt, wordt voor de vaarregels als motorschip behandeld. De feitelijke aandrijving en wettelijke definitie tellen; uiterlijk of het beroep van de eigenaar is niet beslissend.

Begin iedere vaarregelvraag met vier controles: waar vaar ik, welk reglement geldt daar, hoe worden de betrokken schepen juridisch ingedeeld en welke bijzondere situatie is beschreven? Het Kanaal van Gent naar Terneuzen heeft een eigen reglement. Ook de gemeenschappelijke Maas, Westerschelde en Eemsmonding vragen gebiedskennis. Bij KVB I gaat het voor deze overige reglementen om het toepassingsgebied; de inhoud van het Westerscheldereglement hoort bij KVB II.

Een klein schip is een juridische categorie, niet alleen een schip dat er klein uitziet. Uitzonderingen op de lengtedefinitie kunnen bijvoorbeeld afhangen van het gebruik als veerpont, passagiersschip of sleep- en duwschip. Pas een regel voor kleine schepen pas toe nadat je de categorie hebt vastgesteld. Een beroepsschip is niet door de naam beroepsvaart automatisch altijd de standhoudende partij; het toepasselijke artikel en de manoeuvreerruimte bepalen het handelen.

Waarom deze aanpak?

Aanvullende voorschriften kunnen naast het hoofdreglement gelden. In bepaalde Rijngebieden zijn ook aangewezen BPR-bepalingen relevant. Een hoofdstuknummer uit het BPR mag je daarom niet zomaar naar het RPR kopiëren. Bij reisvoorbereiding kijk je naar reglement, lokale voorschriften, verkeersaanwijzingen, stremmingen, snelheid en communicatiekanalen. Een bord of aanwijzing langs het water kan de algemene werkwijze voor die plaats beperken.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Teken de concrete vaar- of scheepssituatie.
  2. Bepaal welk gegeven of reglement voor de vraag nodig is.
  3. Werk de redenering uit en controleer eenheden en categorieën.
  4. Bespreek een wijziging van de situatie en het effect op je conclusie.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Je vaart vanaf een kanaal naar de Waal. Een voorrangsregel die je op het kanaal gebruikte, moet je opnieuw aan het toepasselijke reglement toetsen.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Welk reglement geldt hier?”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

3 Navigatielichten lezen

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Leerdoel: Herken richting, soort schip en de grenzen van wat één licht je vertelt.

Navigatielichten helpen je een schip en zijn vaarrichting te herkennen. Bakboord is rood, stuurboord groen. Een toplicht schijnt wit over 225 graden naar voren; een heklicht wit over 135 graden naar achteren. Een rondomschijnend licht beslaat 360 graden. De boog van een zijdelicht is 112,5 graden. Deze hoeken geven aan vanuit welke sector je een licht kunt zien, niet hoeveel graden een schip gaat draaien.

Een varend motorschip voert volgens de voor zijn categorie geldende bepalingen toplicht, zijdelichten en heklicht. Bij kleine schepen zijn combinaties en uitzonderingen mogelijk. Een motorboot van 10 meter zonder bijzondere functie is een bruikbaar basisvoorbeeld. Een alleenvarend klein open motorschip korter dan 7 meter, met een hoogst bereikbare snelheid van niet meer dan 13 km/uur ten opzichte van het water, mag onder BPR artikel 3.13 lid 2 volstaan met een wit gewoon rondomschijnend licht. Lengte, open uitvoering en maximumsnelheid horen samen bij deze uitzondering. Op de Westerschelde lees je de afzonderlijke SRW-voorwaarden.

Een zeilschip dat uitsluitend zeilt voert geen motortoplicht. Wordt de motor gebruikt om voort te bewegen, dan gelden de motorregels en hoort overdag de kegel met de punt naar beneden bij die situatie. Een ankerlicht vertelt dat een schip voor anker ligt; een enkel wit licht is zonder context geen bewijs van een bepaald soort schip. Andere schepen, oeverlichten en boeien kunnen eveneens wit licht tonen.

Bij sleepvaart, duwvaart, gevaarlijke lading, werktuigen en beperkte manoeuvreerbaarheid zijn aanvullende tekens relevant. Lees kleuren, aantal en onderlinge plaats samen. Let bij baggerwerk op de toegestane en verboden zijde. Maak voldoende afstand en controleer de actuele regeling; één groen licht in een werkomgeving betekent niet dat overal vrije passage bestaat.

Lees een lichtbeeld in een vaste volgorde: kleur, aantal, onderlinge plaats en zichtbare sector. Het toplicht straalt over 225 graden, ieder boordlicht over 112,5 graden en het heklicht over 135 graden. Die sectoren verklaren waarom een naderend schip van opzij een ander beeld toont dan recht van voren. Meerdere lichtpunten kunnen van verschillende schepen zijn: controleer hun onderlinge beweging.

Een rood of groen boordlicht alleen vertelt niet voldoende om blind een uitwijkregel te kiezen. Combineer het lichtbeeld met de koerssituatie, het reglement en bijzondere lichten. Tegenlicht, oeververlichting en beperkte zichtbaarheid kunnen herkenning verstoren. Verminder zo nodig de vaart en blijf uitkijken; een vermoedelijk lichtbeeld is geen zekerheid.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Teken de concrete vaar- of scheepssituatie.
  2. Bepaal welk gegeven of reglement voor de vraag nodig is.
  3. Werk de redenering uit en controleer eenheden en categorieën.
  4. Bespreek een wijziging van de situatie en het effect op je conclusie.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Je ziet groen en een wit toplicht. Je kijkt naar een sector aan de stuurboordzijde van een motorschip; het beeld alleen geeft nog geen veilige passeerafstand.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Navigatielichten lezen”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

4 Dagtekens en bijzondere schepen

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Leerdoel: Lees vorm, aantal en kleur als verkeersinformatie.

Dagtekens gelden ook wanneer een schip geen lichtbeeld laat zien. Een zwarte ankerbol hoort bij ankeren. Een zwarte kegel met punt omlaag duidt een zeilschip aan dat ook de motor voor voortstuwing gebruikt. Een schip dat door werkzaamheden beperkt kan uitwijken toont volgens BPR artikel 3.34 overdag bol-ruit-bol en in het donker rood-wit-rood rondom. Als niet beide zijden vrij zijn, geeft het aanvullende beeld de verboden en vrije zijde aan: twee rode lichten of twee bollen aan de verboden zijde, twee groene lichten of twee ruiten aan de vrije zijde. Bij stilliggende werktuigen lees je de afzonderlijke bepalingen van artikel 3.25. Een zwarte cilinder is geen algemeen teken voor iedere diep geladen binnenvaartboot: BPR artikel 10.03 koppelt deze aan een bovenmaats zeegaand schip op de daar bedoelde vaarwegen. Op ruim water leer je in KVB II de toepasselijke zeevaartbeelden.

Blauwe kegels en blauwe lichten duiden in de binnenvaart vervoer van bepaalde gevaarlijke stoffen aan. Het aantal kan verschillen. Ze betekenen geen uitnodiging om dichterbij te komen. Bij stilliggen gelden onder meer de in de regeling voorgeschreven afstanden; de bekende basisreeks is 10, 50 en 100 meter bij één, twee en drie kegels, met toepasselijke uitzonderingen. Kies bij twijfel een ruimere veilige ligplaats en vraag aanwijzingen.

Drijvende werktuigen en vastgevaren of gezonken schepen kunnen de doorvaart aan één zijde beperken. In het BPR kan een groen teken of groene verlichting de zijde aangeven waarlangs onder de voorwaarden gepasseerd mag worden; rood geeft een te vermijden zijde aan. Aanvullende tekens en opdracht van een verkeerspost kunnen bepalend zijn. Houd rekening met kabels, ankers, werkboten en zuiging.

Waarom deze aanpak?

Dagtekens brengen informatie over de toestand of werkzaamheden van een schip over. Kijk naar de verticale combinatie en naar de plaats waar de tekens worden gevoerd. Een motorzeiler die daadwerkelijk met de motor voortbeweegt, moet je voor de vaarregels als motorschip beoordelen. De omgekeerde kegel geeft juist die motorvoortstuwing aan; een zichtbaar zeil bewijst dus geen voorrang als zeilschip.

Oefen herkenning met duidelijke schema’s. Op een praktijkfoto kunnen tekens achter een opbouw verdwijnen of zo klein zijn dat je ze niet betrouwbaar kunt herkennen. Beschrijf daarom eerst alleen wat je werkelijk ziet. Voor een examenfiguur mag je de duidelijk weergegeven tekens gebruiken, maar vul ontbrekende tekens op een eigen foto niet zelf in.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Teken de concrete vaar- of scheepssituatie.
  2. Bepaal welk gegeven of reglement voor de vraag nodig is.
  3. Werk de redenering uit en controleer eenheden en categorieën.
  4. Bespreek een wijziging van de situatie en het effect op je conclusie.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Je wilt naast een schip met twee blauwe kegels gaan liggen. Een vrije plek langs de wal is nog geen toegestane ligplaats op veilige afstand.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Dagtekens en bijzondere schepen”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

Verder met les 5?

Met één gratis account volg je alle cursussen en bewaar je jouw voortgang.

Verder leren · inloggen of account maken

Probeer 4 vragen

Vraag 1 van 4

Je wilt weten welk vaarbewijs voor een boot nodig is. Welke informatie over de boot en het gebruik zoek je eerst op?

Het cursusboek

Bekijk de eerste acht pagina’s zonder account.

Bekijk het cursusboek Download PDF
Bronnen en cursusinformatie
Officieel examen, diploma of bevoegdheid

Voor Klein Vaarbewijs I leg je het officiële examen af bij het CBR, tenzij een geldende vrijstelling van toepassing is. Het oefenen of afronden van deze Academy-cursus levert geen vaarbewijs op. Controleer de actuele examen- en aanvraagvoorwaarden bij het CBR.

De interne oefennorm, vraagverdeling en tijdslimiet kunnen verschillen van het externe examen. Onze voorbereiding is geen garantie op volledige examendekking of slagen.

CBR: examen Klein Vaarbewijs reserveren →

Bronnen en regelgeving

Bron en naslag: Rijkswaterstaat: pleziervaart ↗

De Loods

Vind je weg in de Academy

Waar wil je meer over weten? Ik zoek in de openbare informatie op deze Academy en help je een cursus te vinden.

    Lees de gevonden bron voor de volledige uitleg.