Breed vaarwater met een havenmond en beroepsvaart, vanuit de lucht gezienExamencursus

Klein Vaarbewijs II

De verdieping voor ruim water: vaarregels, kaartwerk, getij, koersen en stroom.

Begin met les 1 Probeer 4 vragen

Volledige inhoudsopgave (14 hoofdstukken)
  1. Ruim water, reglementen en Westerschelde
  2. Lichten, dagmerken en mistseinen op ruim water
  3. Weerkaarten, fronten, mist en golven
  4. Zeekaart, legenda en nautische publicaties
  5. IALA-A, cardinale tekens en lichtkarakters · met Academy-account
  6. Getij, waterhoogte, LAT en NAP · met Academy-account
  7. Ware koers, variatie, deviatie en drift · met Academy-account
  8. Stroomdriehoek, snelheid en ETA · met Academy-account
  9. GPS, posities, XTE en onafhankelijke controle · met Academy-account
  10. Kaartpassen, kruispeiling en routecontrole · met Academy-account
  11. Internationaal varen: documenten en grenzen · met Academy-account
  12. België: brevetroute en tochtvoorbereiding · met Academy-account
  13. Duitsland: SBF Binnen, SBF See en reglementen · met Academy-account
  14. Frankrijk: permis plaisance, VNF en sluizen · met Academy-account

Begin met de lessen

Lees de eerste vier lessen. Open een hoofdstuk en begin direct.

1 Ruim water, reglementen en Westerschelde

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Leerdoel: Kies het juiste reglement en houd rekening met zeevaart en vaargeulen.

KVB II bouwt op KVB I voort. Het verruimt het Nederlandse vaargebied voor hetzelfde soort recreatievaartuig en voegt navigatie toe. IJsselmeer, Markermeer, IJmeer, Waddenzee en Oosterschelde hebben BPR-regels; de Westerschelde het SRW. Eems en Dollard vragen de samenhang van SRE en BVA. Het Kanaal van Gent naar Terneuzen blijft een afzonderlijk reglementengebied. Deze regels zijn niet onderling uitwisselbaar.

Op de Westerschelde zijn grote zeevaart, diepgaande schepen, geulen, redegebieden en verkeersbegeleiding bepalend. Een klein schip moet de ruimte laten die andere schepen nodig hebben om te navigeren en manoeuvreren. Beoordeel vaarrichting, geul, aanvaringsrisico en beperkingen vóór je een uitwijkregel voor kleine schepen toepast. De bijzondere regels voor kleine schepen staan in SRW-artikelen 40 tot en met 42.

Houd een goede uitkijk met ogen, oren en beschikbare hulpmiddelen en vaar met veilige snelheid. Een ongeveer constante peiling met afnemende afstand kan gevaar betekenen; onzekerheid behandel je niet als bewijs dat het veilig is. Neem tijdige duidelijke maatregelen en houd rekening met stopweg, stroom en beschikbare diepte. Een marifoonafspraak heft de wettelijke verantwoordelijkheden niet op.

Bij twee kleine motorschepen op kruisende koersen zonder bijzondere omstandigheid wijkt het schip dat de ander aan stuurboord heeft. Een klein schip aan de stuurboordzijde van het vaarwater heeft in de toepasselijke SRW-situatie een andere positie dan een schip dat los op ruim water kruist. Voor de beoordeling op de Westerschelde lees je dus SRW artikel 42, niet een verkorte BPR-slogan. In het redegebied Vlissingen gelden extra voorschriften; voorkom hinder aan grote manoeuvrerende schepen.

Op ruim water blijft de eerste stap gebiedsherkenning. Markermeer en IJsselmeer horen niet door hun omvang automatisch bij het Westerscheldereglement. Op de Westerschelde moet een klein schip onder meer voorkomen dat het de passage belemmert van een schip dat de vaargeul nodig heeft. Maak vroeg duidelijk ruimte; een zeilboot kan zich niet op een eenvoudige zeil-voor-motorregel beroepen zonder de geulregel te beoordelen.

Geul volgen, een geul kruisen en een geul invaren zijn verschillende handelingen. Noteer in een examenfiguur welke schepen binnen de geul blijven en welke de geul verlaten. Controleer het SRW-artikel voor de beschreven situatie. Een algemene BPR-regel over kleine schepen mag je niet zonder meer verplaatsen naar een ander reglement.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Leg kaartreferentie, eenheden en gegeven omstandigheden vast.
  2. Werk de navigatie- of getijvraag stap voor stap uit.
  3. Controleer de uitkomst met een onafhankelijke schets of terugrekening.
  4. Benoem welke aanname een echte tocht nog onzeker maakt.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Je verlaat een haven aan de Westerschelde en ziet een zeeschip in de geul. De geul en zijn manoeuvreerruimte bepalen je plan; alleen van rechts komen is onvoldoende.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Ruim water, reglementen en Westerschelde”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

2 Lichten, dagmerken en mistseinen op ruim water

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Begrippen bij deze les
diepgang
De verticale afstand van de waterlijn tot de onderkant van het schip, gemeten volgens de gebruikte scheepsgegevens.

Leerdoel: Herken bijzondere beperkingen en toets het beeld aan het reglement.

Kleur, aantal en plaats van lichten horen samen. Twee rondom zichtbare rode lichten boven elkaar horen bij onmanoeuvreerbaarheid; drie lichten rood-wit-rood bij beperkte manoeuvreerbaarheid. Overdag horen respectievelijk twee zwarte bollen en bol-ruit-bol bij deze functies. Dit is iets anders dan een klein schip dat door een technische storing alleen langzamer vaart; de wettelijke definitie en omstandigheden tellen.

Een vissend schip kan groen boven wit tonen bij trawlen, of rood boven wit bij andere vormen van visserij, samen met de verdere vereiste lichten en tekens. Een sleep kan meer toplichten en aanvullende lichten voeren afhankelijk van lengte en opstelling. Een schip beperkt door diepgang kan rode lichten in een verticale reeks of de toepasselijke cilinder tonen. Lees het reglement, want binnenvaart en zeevaart gebruiken deels verschillende beelden en definities.

Een klein motorschip op de Westerschelde heeft de lichtvoorschriften van SRW artikel 41. Voor de uitzondering met alleen een rondom wit licht gelden daar zowel lengte korter dan 7 meter als hoogst bereikbare snelheid niet meer dan 7 knopen; indien uitvoerbaar worden ook zijdelichten gevoerd. De bekende BPR-uitzondering voor klein motorschip mag je hier niet zonder controle toepassen.

Bij beperkt zicht zijn lichtbeelden onvoldoende. Het SRW kent een lange stoot met tussenpozen van niet meer dan twee minuten voor een werktuiglijk voortbewogen schip dat vaart door het water heeft, en twee lange stoten voor een varend maar gestopt werktuiglijk voortbewogen schip zonder vaart door het water. Voor andere categorieën gelden andere seinen. Verwar deze mistseinen niet met manoeuvreerseinen bij goed zicht.

Bijzondere zeevaartlichten vertellen ook iets over de mogelijkheid van een schip om te manoeuvreren. De categorie beperkt manoeuvreerbaar betreft een beperking door de aard van het werk; het is geen synoniem voor elk groot of langzaam schip. Vislichten betreffen de voorgeschreven vorm van vissen waarbij het tuig de manoeuvreerbaarheid beperkt, niet iedere boot met een hengel.

Lees een samengesteld lichtbeeld vanuit de getoonde kijkrichting. De boordlichten en het heklicht helpen de relatieve richting te bepalen; bijzondere rondomlichten vertellen over de toestand. Gebruik een schema waarop de lichten duidelijk zijn weergegeven. Een rode of groene lichtsector op de wal heeft een navigatiefunctie en is geen boordlicht van een schip.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Leg kaartreferentie, eenheden en gegeven omstandigheden vast.
  2. Werk de navigatie- of getijvraag stap voor stap uit.
  3. Controleer de uitkomst met een onafhankelijke schets of terugrekening.
  4. Benoem welke aanname een echte tocht nog onzeker maakt.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Een schip toont rood-wit-rood verticaal. Je herkent een bijzondere beperking en beoordeelt welke verdere lichten, dagmerken en vaarregels bij zijn werk horen.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Lichten, dagmerken en mistseinen op ruim water”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

3 Weerkaarten, fronten, mist en golven

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Leerdoel: Vertaal weersontwikkeling naar een veilige vaarbeslissing.

Op ruim water kijk je verder dan het weer van nu. Een weerkaart toont drukgebieden, isobaren en fronten. Een warmtefront geeft vaak een geleidelijke overgang met toenemende bewolking en langdurige neerslag. Een koufront kan een snellere overgang met buien, windvlagen en winddraaiing geven. Bij een occlusie haalt een koufront een warmtefront in. Een trog kan instabiel weer en buien organiseren zonder dat het een afzonderlijk gesloten lagedrukgebied is.

Cirrostratus is hoge sluierbewolking en kan een halo geven; altostratus is middelhoge gelaagde bewolking; stratus ligt laag en kan zicht beperken. Cumulus heeft stapelvorm, cumulonimbus hoort bij stevige buien en kan onweer, zware windstoten en neerslag geven. Eén wolk is geen complete voorspelling. Combineer het beeld met de verwachting en verandering van wind en druk.

Mist kan door uitstraling bij afkoeling ontstaan of door aanvoer van vochtige lucht over een koud oppervlak. Op het water kan mist onverwacht plaatselijk verdichten. Beoordeel zicht op je hele route en stel uit als schip, uitrusting of bekwaamheid niet passen. GPS vertelt een positie, maar toont niet alle schepen of drijvende gevaren.

Wind tegen stroom kan golven korter en steiler maken. Een beschutte vertrekhaven zegt niets over een open oversteek. Kies uitwijkhavens en grenzen voor wind, zicht, golf en tijd vóór vertrek. Herbeoordeel tijdens de tocht; een eenmaal gekozen plan is geen verplichting om door te varen.

Een warmtefront kan zich aankondigen met hoge sluierbewolking, toenemende gelaagde bewolking en langere neerslag. Een koufront kan een scherpere verandering van wind, buien en temperatuur meebrengen. Bij een occlusie haalt een koufront een warmtefront in. Een trog is een langgerekte zone van relatief lage druk en kan eveneens met buien samenhangen; niet elke buienlijn is een front.

Leer wolken als aanwijzingen te lezen: stratus is laag en gelaagd, altostratus een middelhoge laag en cirrostratus hoge sluierbewolking. Cumulus heeft een stapelvorm; sterke verticale ontwikkeling richting cumulonimbus vraagt aandacht voor onweer en windstoten. De wolk alleen levert geen exact vertrektijdstip of veilige maximale wind op. Controleer actuele waarschuwingen en de verwachtingen voor jouw water.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Leg kaartreferentie, eenheden en gegeven omstandigheden vast.
  2. Werk de navigatie- of getijvraag stap voor stap uit.
  3. Controleer de uitkomst met een onafhankelijke schets of terugrekening.
  4. Benoem welke aanname een echte tocht nog onzeker maakt.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Een koufront nadert tijdens je oversteek. Je rekent niet alleen met de gemiddelde wind, maar ook met vlagen, zichtverlies en je uitwijkmogelijkheid.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Weerkaarten, fronten, mist en golven”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

4 Zeekaart, legenda en nautische publicaties

Werking → waarom → aanpak → boordvoorbeeld → zelf uitleggen → vragen

Begrijpen hoe het werkt

Leerdoel: Gebruik bijgewerkte informatie en begrijp wat een symbool wel en niet bewijst.

Een zeekaart is een meet- en informatiehulpmiddel. Lees titel, schaal, editie, correcties, kaartdatum, diepte-eenheid en waarschuwingen. Berichten aan Zeevarenden vullen veranderingen aan; een oude kaart met recente GPS-positie blijft een oude kaart. Getijtafels en een stroomatlas beantwoorden verschillende vragen: waterhoogte en horizontale waterbeweging zijn niet hetzelfde.

Breedte staat op de verticale rand, lengte op de horizontale. Eén boogminuut breedte is ongeveer één zeemijl van 1852 meter. Meet zeemijlen op de breedterand rond de breedte van je meetgebied, niet op de lengterand. Een Mercatorprojectie heeft daar een praktische reden voor: lengtegraden hebben niet overal dezelfde werkelijke afstand.

Een brughoogte en kaartdiepte kunnen verschillende referentievlakken hebben. LAT is een astronomisch laagwaterreferentie voor kaartdiepten op veel getijkaarten; NAP is een vast landelijk hoogtepeil. De juiste omzetting volgt uit kaart en publicatie. Een verbodsgrens op de kaart blijft relevant ook als het water fysiek bevaarbaar lijkt. Raadpleeg de actuele 1800-legenda en de CBR-selectie van kaarttekens; deze cursus gebruikt een zelfgetekende fictieve oefenkaart, nooit als vaarinformatie.

Controleer behalve de schaal ook uitgave, correcties, kaartdatum en het verticale referentievlak. Een geografisch datum zoals WGS84 beschrijft de basis voor coördinaten; LAT of NAP is een hoogte- of dieptevlak. Die begrippen zijn niet uitwisselbaar. Een GPS-positie op een kaart met een ander datum kan verschoven liggen, ook wanneer je de cijfers juist overschrijft.

Een kerk, toren, schoorsteen of ander kenbaar object kan een peilpunt zijn als je het betrouwbaar identificeert. Leer ook dieptelijnen, droogvallingen, wrakken, kabels, verboden gebieden en lichtsectoren herkennen. Raadpleeg voor de CBR-selectie van kaarttekens de bijlage F2 bij de exameneisen. Deze cursus geeft uitleg en oefenkaarten; de volledige officiële kaarttekenselectie moet je daarnaast op die bron herkennen.

Waarom deze aanpak?

Dieptecijfers, droogvalhoogten, dieptelijnen, wrakken, obstructies, kabels, sectorlichten, ankergebieden en natuurgebieden sturen je routekeuze. Een gevaar waarvan de diepte onbekend is, is geen veilig object omdat er geen klein getal bij staat. Een nagestreefde diepte is geen garantie van de actuele minste diepte. Gebruik de legenda en actuele berichten.

Stap voor stap toepassen

Begeleide leeropdracht: gebruik deze stappen om de uitleg met de eigen boordpraktijk te verbinden. De bediening en technische volgorde komen uit de instructie van de aanwezige installatie of de geldende taakprocedure.

  1. Leg kaartreferentie, eenheden en gegeven omstandigheden vast.
  2. Werk de navigatie- of getijvraag stap voor stap uit.
  3. Controleer de uitkomst met een onafhankelijke schets of terugrekening.
  4. Benoem welke aanname een echte tocht nog onzeker maakt.

Voorbeeld uit de boordpraktijk

Boordvoorbeeld

Je GPS geeft een nauwkeurige stip, maar de kaart bevat een oude boei. Je controleert kaartcorrecties en de werkelijke omgeving.

Leg het in eigen woorden uit

Gebruik het leerdoel van “Zeekaart, legenda en nautische publicaties”. Leg zonder de les erbij uit hoe het werkt, waarom de beschreven aanpak nodig is en hoe je dit op jouw schip herkent. Bespreek de bestaande opdracht of het voorbeeld met je begeleider en benoem welke informatie je vóór toepassing nog moet controleren.

De begeleider kijkt naar jouw uitleg, de gekozen volgorde, de herkende grens en het werkelijke resultaat van de afgesproken oefening. Wat je nog niet kunt onderbouwen, lees en bespreek je opnieuw.

Controleer daarna wat je geleerd hebt

Maak de beschikbare oefenvragen pas na de uitleg en de eigen uitwerking. Vergelijk na je antwoord de onderbouwing met de les. Gebruik een fout als aanwijzing welk begrip of welke afweging je opnieuw moet leren.

Verder met les 5?

Met één gratis account volg je alle cursussen en bewaar je jouw voortgang.

Verder leren · inloggen of account maken

Probeer 4 vragen

Vraag 1 van 4

Een kaartdiepte en een waterstandsbericht gebruiken mogelijk verschillende nulniveaus. Wat controleer je voordat je die getallen combineert?

Het cursusboek

Bekijk de eerste acht pagina’s zonder account.

Bekijk het cursusboek Download PDF
Bronnen en cursusinformatie
Officieel examen, diploma of bevoegdheid

Voor Klein Vaarbewijs II gelden de officiële examen- en aanvraagvoorwaarden van het CBR. Controleer welke examens en eventuele vrijstellingen voor jou gelden. De Academy biedt zelfstudie en oefentoetsen; een online afronding hier levert geen vaarbewijs op.

De interne oefennorm, vraagverdeling en tijdslimiet kunnen verschillen van het externe examen. Onze voorbereiding is geen garantie op volledige examendekking of slagen.

CBR: vaardocumenten en recreatievaart →

Bronnen en regelgeving

Bron en naslag: Rijkswaterstaat: voorbereiding op het water ↗

De Loods

Vind je weg in de Academy

Waar wil je meer over weten? Ik zoek in de openbare informatie op deze Academy en help je een cursus te vinden.

    Lees de gevonden bron voor de volledige uitleg.